ECLI:NL:CRVB:2007:BA9505
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- G.F. Walgemoed
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verrekening inkomsten bij vaststelling buitengewoon pensioen 1940-1945
Appellant, erkend als deelnemer aan het verzet en ontvanger van een buitengewoon pensioen op basis van 100% blijvende invaliditeit, betwistte de vaststelling van zijn pensioen voor de jaren 2001 tot en met 2003. Hij maakte bezwaar tegen de hoogte van de inkomsten uit vermogen die in mindering werden gebracht op zijn pensioen, stellende dat kosten van verwerving en vermogensrendementsheffing in mindering hadden moeten worden gebracht.
De Raad overwoog dat het besluit van 8 april 2003, dat met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 geldt, de regels bevat voor de vaststelling van de verrekenbare inkomsten. Dit besluit houdt rekening met de Wet inkomstenbelasting 2001 en vervangt de eerdere regeling. Volgens dit besluit zijn de inkomsten die in mindering worden gebracht de inkomsten belast in box 1 en feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen, zonder aftrek van kosten of heffingen.
De Raad concludeerde dat het beroep ongegrond is omdat het Besluit geen ruimte biedt voor aftrek van de door appellant genoemde kosten. De wijziging van het fiscale regime maakt dat de eerdere praktijk onder de Wet IB 1964 niet langer van toepassing is. Er is geen aanleiding om proceskosten toe te kennen. Het bestreden besluit is daarmee in overeenstemming met het geldende Besluit.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit over de verrekening van inkomsten bij het buitengewoon pensioen wordt ongegrond verklaard.