ECLI:NL:CRVB:2007:BA9580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens intrekking WAO-uitkeringsbesluit
Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%, met ingang van 23 februari 2004 in te trekken. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de rechtsgevolgen in stand bleven.
Het UWV gaf vervolgens bij een nieuw besluit van 30 augustus 2005 aan het oorspronkelijke standpunt niet langer te handhaven en stelde het arbeidsongeschiktheidspercentage onveranderd vast op 80 tot 100%. Hierdoor kan het bestreden besluit als ingetrokken worden beschouwd. Volgens vaste jurisprudentie vervalt in zo’n situatie het belang bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit, tenzij een verzoek om schadevergoeding is ingediend, wat hier niet het geval was.
Daarom verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van enig procesbelang. De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant voor het hoger beroep en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat het UWV het bestreden besluit heeft ingetrokken.