ECLI:NL:CRVB:2007:BA9584

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-13 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • G.F. Walgemoed
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken blijvende invaliditeit

Appellant, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in maart 2006 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van lichamelijke en psychische klachten die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen. Verweerster wees de aanvraag af omdat de lichamelijke klachten niet oorzakelijk verband hielden met de oorlog en de psychische klachten, hoewel aanwezig, geen beperkingen in het dagelijks functioneren veroorzaakten.

Appellant voerde in beroep aan dat zijn psychische klachten zoals slaapproblemen, nare herinneringen en huilbuien wel degelijk ernstige beperkingen opleveren. Hij stelde dat het medisch onderzoek te beperkt was en dat hij zijn problematiek onvoldoende heeft kunnen toelichten. De Raad stelde vast dat de medische adviezen van de geneeskundig adviseurs van verweerster, gebaseerd op uitgebreid onderzoek en informatie uit de behandelende sector, geen aanleiding geven het besluit te herzien.

De Raad oordeelde dat de psychische klachten niet leiden tot invaliditeit en dat appellant zich niet onder gerichte medische behandeling heeft gesteld. Observaties uit de familiekring konden geen doorslaggevend gewicht krijgen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Een vergoeding van proceskosten werd niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van blijvende invaliditeit.

Uitspraak

07/13 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 5 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 24 november 2006, kenmerk JZ/P70/2006 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2007. Namens appellant is daar verschenen T.E. Glasmacher-van den Abeelen als gemachtigde, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, in maart 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend, primair ertoe strekkend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Deze aanvraag heeft appellant gebaseerd op lichamelijke en psychische klachten, die naar zijn mening een gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.
Verweerster heeft de aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 11 juli 2006, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Overwogen is dat appellant weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet - te weten zijn vlucht onder levensbedreigende omstandigheden te Buitenzorg en zijn internering in het kloosterkamp te Buitenzorg - maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit. Hierbij is in aanmerking genomen dat bij appellant wel sprake is van aan zijn oorlogservaringen toe te schrijven psychische klachten, bestaande uit inslaapproblemen, nare herinneringen, nachtmerries en huilbuien, maar dat deze klachten geen beperkingen opleveren in zijn dagelijks functioneren. Voorts is in aanmerking genomen dat de lichamelijke klachten van appellant, te weten hart- en rugklachten, degeneratief en/of constitutioneel van aard zijn en niet gerelateerd zijn aan de oorlogservaringen.
In beroep is namens appellant aangevoerd dat zijn psychische klachten wel degelijk forse beperkingen opleveren in zijn dagelijks functioneren. Hiertoe is gesteld dat de slaapproblemen, de nare herinneringen en huilbuien zijn leven in veel ernstiger mate ontregelen dan door verweerster, op gezag van haar geneeskundig adviseur G. Kho, is aangenomen. Appellant is van mening dat het door de genoemde geneeskundig adviseur ingestelde medisch onderzoek te beperkt is geweest en dat hij zijn problematiek onvoldoende naar voren heeft kunnen brengen.
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Blijkens de gedingstukken is het standpunt van verweerster ten aanzien van de psychische klachten van appellant in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Die adviezen berusten op de resultaten van een op verzoek van verweerster door een van deze geneeskundig adviseurs, de arts G. Kho ingesteld medisch onderzoek van appellant en op informatie uit de behandelende sector. In deze adviezen is aangegeven dat bij appellant sprake is van kenmerken van een PTSS, welke met name leiden tot slaapproblemen en huilbuien, maar dat de gevolgen daarvan voor het leven van alledag niet zodanig zijn dat van invaliditeit kan worden gesproken.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.
Hierbij laat de Raad wegen dat de arts Kho blijkens zijn rapport tijdens het door hem ingestelde medisch onderzoek gericht aandacht heeft besteed aan alle facetten van het alledaagse leven van appellant en dat daarbij met name ook de slaapproblematiek en de huilbuien aan de orde zijn geweest. De veronderstelling van de gemachtigde van appellant dat appellant zijn verhaal onvoldoende heeft kunnen vertellen dan wel zich beter heeft voorgedaan, ziet de Raad niet ondersteund door enig objectief gegeven. Nu het hier om een medische beoordeling gaat, kan de Raad geen overwegend gewicht toekennen aan observaties uit de familiekring, hoe invoelbaar ook naar voren gebracht.
Voorts is de Raad uit de ter beschikking staande medische gegevens ook niet kunnen blijken van aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch letsel. In dat verband is mede van belang - hoezeer ook in dit opzicht namens appellant is gewezen op zijn terughoudende opstelling - dat appellant zich in verband met de gestelde psychische klachten niet onder gerichte medische behandeling heeft gesteld. Feit is nu eenmaal dat er geen medische gegevens zijn die op de situatie van appellant een ander licht werpen.
Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit, voorzover in beroep aangevochten, in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2007.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
6.06