Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0001

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/4032 NABW + 06/4035 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 WWBArt. 58 lid 1 WWBArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen vermogen

Appellanten ontvingen vanaf mei 1996 een bijstandsuitkering die werd overgemaakt naar een gezamenlijke bankrekening. Na overlijden van de moeder van appellante in 2004 ontdekte het College dat appellanten meerdere bankrekeningen hadden met een gezamenlijk saldo van €23.303 op 31 december 2002, wat niet was gemeld.

Het College herzag daarop de bijstandsverlening en besloot de uitkering over de periode van 1 januari 2003 tot 1 november 2003 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. Appellanten maakten bezwaar en stelden dat het tegoed op de rekeningen aan de overleden moeder toebehoorde en bestemd was voor haar begrafenis en bedevaart, maar konden dit niet met controleerbare gegevens onderbouwen.

De Raad oordeelde dat het College terecht uitging van de vooronderstelling dat tegoeden op rekeningen op naam van appellanten tot hun vermogen behoren, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Aangezien appellanten hierin niet slaagden, bevestigde de Raad de intrekking en terugvordering. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering van de gemaakte kosten worden bevestigd wegens onvoldoende aannemelijkheid dat het tegoed niet tot het vermogen van appellanten behoorde.

Uitspraak

06/4032 NABW
06/4035 NABW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] en [appellante], beiden wonende te Arnhem (hierna: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 juli 2006, 06/26 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)
Datum uitspraak: 10 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. R.C. Vermeer, advocaat te Rhenen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 mei 2007, waar voor appellanten mr. Vermeer is verschenen en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. M.A. de Ronde, werkzaam bij de gemeente Arnhem.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellanten ontvangen vanaf mei 1996 een bijstandsuitkering naar de norm van gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Deze uitkering werd, ten tijde van belang, overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer]. De bijstandsuitkering van de moeder van appellante, [naam moeder appellante], werd naar hetzelfde rekeningnummer overgemaakt. [naam moeder appellante] is op 31 december 2004 overleden.
Naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst dat appellant en appellante meerdere bankrekeningen op hun (beider) naam hadden staan en dat het saldo op die rekeningen op 31 december 2002 € 23.303,-- bedroeg, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand.
De bevindingen van dit onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 18 maart 2005 de bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 2003 tot 1 februari 2004 te herzien (lees: in te trekken) op de grond dat appellanten zonder daarvan mededeling aan het College te doen, op 31 december 2002 over een vermogen beschikten dat hoger is dan het voor appellanten geldende vrij te laten vermogen. Tevens zijn de gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 19.784,68 bruto. Bij nader besluit van 2 juni 2005 heeft het College de herziening (lees: intrekking) van de bijstand van appellanten beperkt tot de periode van 1 januari 2003 tot 1 november 2003 en de terugvordering nader bepaald op een bedrag van € 13.684,48 bruto.
Het College heeft bij besluit van 15 november 2005 het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 november 2005 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om in genoegzame mate aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellanten daarin niet zijn geslaagd. Appellanten hebben hun stellingen dat de aangetroffen tegoeden op de verzwegen bankrekeningen feitelijk aan [naam moeder appellante] toebehoorden en (gedeeltelijk) gespaard waren om haar begrafenis en een bedevaart naar Mekka te bekostigen niet onderbouwd met controleerbare en verifieerbare gegevens. De omstandigheid dat zowel de bijstandsuitkeringen van appellanten als de bijstandsuitkering van [naam moeder appellante] naar dezelfde bankrekening ten name van appellanten werden overgemaakt, brengt voorts niet mee dat tegoeden op, voor het College onbekende en verzwegen, bankrekeningen ten name van appellant en/of appellante zonder meer aan [naam moeder appellante] zouden toebehoren. Overigens heeft het College bij het opnieuw vaststellen van het vermogen van appellanten per 31 december 2002 - onverplicht - het vrij te laten vermogen voor [naam moeder appellante] volledig in mindering gebracht. Daarmee zijn appellanten zeker niet tekort gedaan.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 2003 tot 1 november 2003 in te trekken. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten.
Tevens volgt hieruit dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over te gaan.
In hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het College niet in overeenstemming met zijn, destijds geldende, vaste gedragslijn tot terugvordering van appellanten heeft besloten en evenmin dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van die gedragslijn (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) S. van Ommen.
EK1007