ECLI:NL:CRVB:2007:BB0078
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing dat appellant niet langer ongeschikt is voor arbeid
Appellant was werkzaam als productiemedewerker in een vleesverwerkend bedrijf en meldde zich ziek op 17 juli 2003 wegens klachten na een bedrijfsongeval. Het UWV besloot op 5 december 2003 dat appellant vanaf 8 december 2003 niet meer ongeschikt was voor arbeid en het recht op ziekengeld werd beëindigd. Na bezwaar en onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts, die ook informatie opvroeg bij de behandelend neuroloog, werd het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er geen medische gegevens waren die het oordeel van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts konden weerleggen. Ook werd geoordeeld dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn bezwaar mondeling toe te lichten en dat het UWV niet verplicht was om aanvullende medische informatie bij de huisarts op te vragen.
De Centrale Raad van Beroep sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. Hoewel appellant nog subjectieve klachten had, waren er geen objectiveerbare medische afwijkingen die hem ongeschikt maakten voor arbeid op de datum in geding. Het verzoek om een onafhankelijke medisch deskundige werd afgewezen, en de stelling dat medicatie werkhervatting belemmerde was niet met medische verklaring onderbouwd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant sinds 8 december 2003 niet meer ongeschikt is voor arbeid en geen recht meer heeft op ziekengeld.