ECLI:NL:CRVB:2007:BB0158

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6060 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringWet Werk en Bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over WAO-beoordeling na schouder- en psychische klachten

Appellant, een schoonmaker geboren in 1960, viel uit wegens rechterschouderklachten na een ongeval in 2002. Na medische en arbeidskundige beoordelingen wees het UWV een WAO-uitkering af omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geschat.

Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat hij ook psychische klachten en andere fysieke beperkingen had, ondersteund door verklaringen van de Sociale Dienst en huisarts. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit deels, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant stelde hoger beroep in tegen dit laatste.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten van het UWV voldoende waren onderbouwd en dat de aanvullende verklaringen niet tot een ander oordeel leidden. De Raad bevestigde daarom de uitspraak en verwierp het beroep van appellant.

De Raad wees erop dat verklaringen in het kader van de Wet Werk en Bijstand niet doorslaggevend zijn voor de WAO-beoordeling, omdat andere criteria gelden. De medische component van het besluit rust op goede gronden en er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2005 wordt hiermee bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet meer beperkingen heeft dan vastgesteld en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

05/6060 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2005, 04/1372
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2007, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. F.W. Verweij, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.
Appellant, geboren op 1 oktober 1960, is schoonmaker geweest. Op 25 juli 2002 is hij na een ongeval uitgevallen wegens rechterschouderklachten. Vervolgens heeft per einde wachttijd een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In dat verband heeft de verzekeringsarts
N. Blokland appellant op 16 juni 2003 onderzocht en is zij in haar rapport van dezelfde datum tot de conclusie gekomen dat appellant als gevolg van zijn rechterschouderklachten beperkingen heeft.
Met inachtneming van deze beperkingen heeft deze arts de functionele mogelijkheden van appellant vastgelegd in een zogeheten (kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige B. Rijnhout op 29 juli 2003 rapport uitgebracht en is daarin tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor een aantal functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%. In overeenstemming met dit rapport is appellant bij besluit van
31 juli 2003 meegedeeld dat hij na afloop van de wachttijd niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering.
In bezwaar heeft appellant gesteld dat hij nog onder medische behandeling is en nog geopereerd moet worden. Nadien heeft appellant tijdens de hoorzitting aangegeven dat hij tevens psychische klachten heeft. Tijdens deze hoorzitting heeft hij tevens een verklaring van de Sociale Dienst Amsterdam overgelegd, waaruit blijkt dat hij ontheven is van de verplichting om te solliciteren.
Nadat de bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar op 21 mei 2004 rapport had uitgebracht, waarin hij de bevindingen van de primaire verzekeringsarts heeft onderschreven, heeft het Uwv bij besluit van 25 mei 2004 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
In beroep heeft appellant gesteld dat hij ook beperkingen heeft als gevolg van zijn klachten aan de rechterarm, nek en onderrug. Daarnaast heeft hij ook nog voetklachten. Voorts heeft hij nogmaals gewezen op de voormelde verklaring van de Sociale Dienst Amsterdam. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij nog een verklaring van zijn huisarts overgelegd.
Bij schrijven van 24 mei 2005 heeft het Uwv een rapport d.d. 20 mei 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers ingebracht, waarin een nadere motivering is gegeven van de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies.
De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit. Aangezien de rechtbank van oordeel was dat de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies pas in beroep in voldoende mate was gemotiveerd, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 9 november 2004 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer LJN AR4716 en in RSV 2004/351), het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Daarnaast heeft de rechtbank beslist over proceskosten en griffierecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld, voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Daarbij heeft appellant dezelfde grieven naar voren gebracht als eerder in de procedure.
De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de verzekeringsartsen met betrekking tot de schouderklachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant in onvoldoende mate aan de hand van medische informatie aannemelijk gemaakt dat hij tevens beperkingen heeft als gevolg van andere door hem naar voren gebrachte klachten. De Raad is dan ook niet tot de overtuiging kunnen komen dat appellant meer beperkingen heeft dan door het Uwv zijn vastgesteld. Dit betekent dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust. De door appellant overgelegde verklaring van de Sociale Dienst heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen aangezien een in het kader van de Wet Werk en Bijstand opgemaakte verklaring niet van (doorslaggevende) betekenis is voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, nu daarvoor andere criteria gelden dan die welke bij het totstandkomen van bedoelde verklaring een rol hebben gespeeld.
Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat door middel van het rapport
d.d. 20 mei 2005 van de voornoemde bezwaararbeidsdeskundige Veugelaers in voldoende mate de geschiktheid van appellant voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies is gemotiveerd.
Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en R.P.T. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) S. Sweep.
JL