ECLI:NL:CRVB:2007:BB0175
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie ondanks eerdere motiveringsgebreken
Appellante betwistte de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie door het UWV voor de jaren 2000, 2001 en 2002, omdat zij meende dat de betaling van de WAO-uitkering aan haar voormalige werknemer vanaf 30 juni 1998 niet mocht worden betrokken bij de premie. Eerder had de rechtbank enkele besluiten van het UWV vernietigd wegens motiveringsgebreken met betrekking tot de voortzetting van de WAO-uitkering over de periode van 30 juni 1998 tot en met 31 december 2000.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat deze motiveringsgebreken door het UWV waren hersteld en dat de rechtmatigheid van de betaling van de WAO-uitkering over genoemde periode vaststaat. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht geen grond zag om de besluiten van 17 maart 2004 te vernietigen en dat het UWV vrijstaat de betaalde WAO-uitkering te betrekken bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie.
Verder stelde de Raad vast dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om bezwaar te maken tegen de voortzetting van de WAO-uitkering en dat er geen sprake was van schending van het gelijkheidsbeginsel of het recht op een eerlijk proces. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie door het UWV wordt bevestigd.