ECLI:NL:CRVB:2007:BB0283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs onderschatting arbeidsbeperkingen
Appellant ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te verlagen van 45% naar 35% arbeidsongeschiktheid per 13 april 2004. Hij stelde dat zijn beperkingen door knie- en schouderklachten, en later ook reumatische artritis, onvoldoende waren meegenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat appellant weliswaar niet meer geschikt was voor zijn oorspronkelijke functie als voorman/begeleider, maar wel in staat was tot gangbare arbeid met een gemiddeld 41% lager loon. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen en overhandigde aanvullende medische informatie, waaronder een reïntegratieadvies en aantekeningen van een bedrijfsarts.
De Raad oordeelde dat de afwijkende inschatting van de bedrijfsarts onvoldoende overtuigend was om te twijfelen aan de verzekeringsarts. Tevens bleek uit de medische stukken niet dat appellant op de peildatum al beperkingen ondervond door de later vastgestelde reumatische artritis. Daarom werd de aangevallen uitspraak bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering en verklaart het beroep ongegrond.