ECLI:NL:CRVB:2007:BB0471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Weigering Ziektewet-uitkering wegens ontbreken herleving werknemersstatus
Appellante, voormalig directeur-grootaandeelhouder, had van 30 juli 2001 tot 3 december 2001 een WW-uitkering ontvangen. Na beëindiging van haar werkzaamheden werd haar bedrijf failliet verklaard op 26 juni 2002. Zij meldde zich ziek op 14 augustus 2002 en werd arbeidsongeschikt verklaard vanaf 15 juni 2002 tot 3 november 2002.
Het UWV weigerde haar een Ziektewet-uitkering toe te kennen omdat zij niet verzekerd was als werknemer in de zin van de Ziektewet. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante op 15 juni 2002 geen werknemer was omdat zij als grootaandeelhouder geen aanspraak kon maken op de Ziektewet. De rechtbank oordeelde tevens dat de periode van 26 juni 2002 tot 4 november 2002 niet in geschil was.
In hoger beroep stelde appellante dat haar werknemersstatus op grond van artikel 8 van Pro de WW op 26 juni 2002 was herleefd, waardoor ook haar recht op Ziektewet-uitkering zou moeten herleven. De Raad oordeelde dat de herleving van het werknemerschap volgens de WW niet automatisch leidt tot herleving van het werknemerschap in de zin van de Ziektewet. De Ziektewet voorziet niet in herleving van het recht op uitkering zonder dat er daadwerkelijk verzekeringsplichtige werkzaamheden worden verricht.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de Ziektewet-uitkering wordt bevestigd.