ECLI:NL:CRVB:2007:BB0679
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid
Appellant, werkzaam als uitzendkracht, meldde zich ziek wegens een blessure aan zijn rechterenkel. Het UWV stelde op 14 januari 2004 vast dat appellant per 26 januari 2004 weer geschikt was voor arbeid en beëindigde het ziekengeld. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening, maar later alsnog inhoudelijk werd behandeld.
De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat het letsel van appellant gering was en dat herstel binnen twee maanden verwacht mocht worden. De medische gegevens, waaronder rapporten van de huisarts en verzekeringsarts, onderschreven dat appellant op de peildatum geen arbeidsongeschiktheid meer had. Appellant voerde aan dat de late beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts hem benadeelde, maar dit verweer werd niet gegrond bevonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. Er was onvoldoende bewijs dat appellant op 26 januari 2004 nog ongeschikt was voor arbeid. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De Raad oordeelde dat de beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts, ondanks het retrospectieve karakter, standhield onder rechterlijke toetsing.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht meer op ziekengeld omdat hij per 26 januari 2004 geschikt werd geacht voor arbeid.