ECLI:NL:CRVB:2007:BB1043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herzieningsverzoek WW-dagloon na onjuiste vaststelling zonder nieuwe feiten
Appellant, werkzaam in de bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat bleek dat het UWV in het verleden onjuist had vastgesteld. Het UWV verhoogde het dagloon slechts met ingang van de datum van het verzoek en weigerde terugwerkende kracht toe te passen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden een herziening met terugwerkende kracht niet rechtvaardigt. De fout van het UWV in het verleden kan niet als nieuw feit worden beschouwd. De Raad benadrukt dat het bestuursorgaan een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt door alleen lopende uitkeringen te herzien.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en andere nationale en internationale bepalingen faalt eveneens. De Raad bevestigt dat het beleid van het UWV om herzieningen pas vanaf de datum van het verzoek toe te passen, niet onredelijk is. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien wordt bevestigd.