ECLI:NL:CRVB:2007:BB1047
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuw feit of veranderde omstandigheid
Appellant, werkzaam in de sector Bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat het UWV in 2004 ontdekte dat in het verleden de vroegpensioenpremie niet correct was verwerkt, wat leidde tot een te laag vastgesteld dagloon. Het UWV besloot herzieningsverzoeken alleen te honoreren voor nog lopende uitkeringen vanaf de datum van het verzoek, niet met terugwerkende kracht.
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het feit dat het UWV in het verleden een fout maakte geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen slaagde niet. De Raad benadrukte dat appellant en anderen de mogelijkheid hadden rechtsmiddelen aan te wenden tegen de oorspronkelijke vaststelling, maar daarvan geen gebruik maakten.
De Raad overwoog dat het UWV een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging heeft gemaakt door herziening slechts toe te passen vanaf het moment van het verzoek. Dit beleid is niet onredelijk. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot herziening van het WW-dagloon met terugwerkende kracht wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.