ECLI:NL:CRVB:2007:BB1049

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1537 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging maatregel verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten

Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarin zijn WW-uitkering voor 16 weken met 20% werd verlaagd wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten voorafgaand aan zijn werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

Tijdens het hoger beroep heeft het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarin het bezwaar van appellant alsnog werd gegrond verklaard. Appellant gaf daarop aan geen belang meer te hebben bij voortzetting van de procedure en verzocht om vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.

De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling van de uitkering vanaf 1 april 2006. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan appellant.

Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

07/1537 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31 januari 2007, 06/1284 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 juli 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, voorlopig hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 2 mei 2007 heeft het Uwv de Raad een afschrift van een nieuwe beslissing op bezwaar van 2 mei 2007 toegezonden.
Bij schrijven van 31 mei 2007 heeft appellant een reactie ingezonden op de nieuwe beslissing op bezwaar van 2 mei 2007.
Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend behandeling ter zitting achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij bestreden besluit van 20 april 2006 heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 28 februari 2006 waarbij appellants uitkering ingevolge de Werkloosheidswet gedurende 16 weken is verlaagd met 20%, omdat appellant te weinig heeft gesolliciteerd voorafgaande aan zijn werkloosheid.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 20 april 2006 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. Namens appellant is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld waarbij de Raad is verzocht de uitspraak en het bestreden besluit van 20 april 2006 te vernietigen en het beroep van appellant alsnog gegrond te verklaren. Tevens is verzocht om vergoeding van wettelijke rente en vergoeding van kosten van rechtsbijstand en griffierecht.
4. Bij brief van 2 mei 2007 heeft het Uwv laten weten zijn standpunt als verwoord in de beslissing op bezwaar van 20 april 2006 niet langer te handhaven en heeft bij nieuw besluit op bezwaar van 2 mei 2007 het bezwaar van appellant alsnog gegrond geacht.
5. Bij brief van 31 mei 2007 heeft appellant laten weten dat, nu het Uwv hangende het hoger beroep aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen, hij geen belang meer heeft bij een inhoudelijke voortzetting van de procedure en heeft de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de vergoeding van wettelijke rente en de vergoeding van proceskosten.
6. De Raad overweegt als volgt.
7. Gelet op de nieuwe beslissing op bezwaar van 2 mei 2007 en de brief van appellant van 31 mei 2007 komt het besluit van 20 april 2006, alsook de aangevallen uitspraak, voor vernietiging in aanmerking.
8. Het verzoek om met toepassing van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen tot vergoeding van renteschade kan worden ingewilligd, in dier voege dat het Uwv de wettelijke rente dient te vergoeden over de nabetaling van de uitkering en dat de ingangsdatum van de rente wordt gesteld op 1 april 2006. Voor de verdere berekening wordt verwezen naar ’s Raads uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, RSV 1996/182 en JB 95/314.
9. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en € 15,48 voor reiskosten in eerste aanleg en € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 april 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van renteschade als onder 8. weergegeven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 981,48, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van € 143,-- (€ 38,--+
€ 105,--) vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.