ECLI:NL:CRVB:2007:BB1076
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant, werkzaam in de sector Bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat bleek dat het UWV in het verleden het dagloon onjuist had vastgesteld vanwege niet-verwerkte vroegpensioenpremies. Het UWV besloot herzieningen alleen toe te passen voor nog lopende uitkeringen vanaf de datum van het verzoek, niet met terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het feit dat het UWV in het verleden onjuist had gehandeld, geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. Ook het argument dat de fout niet kenbaar was, kon dit niet veranderen.
De Raad vond dat het UWV een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging had gemaakt door herziening alleen toe te passen vanaf het moment van het verzoek. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en andere beleidsargumenten faalden eveneens. Er was geen reden om af te wijken van het beleid dat terugwerkende kracht niet wordt verleend.
De uitspraak benadrukt het belang van rechtszekerheid en de grenzen aan herziening van bestuursbesluiten, vooral bij duuraanspraken zoals WW-uitkeringen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering tot herziening van het WW-dagloon wordt bevestigd.