ECLI:NL:CRVB:2007:BB1080
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuw feit of veranderde omstandigheid
Appellant, werkzaam in de sector Bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat het UWV had vastgesteld dat in het verleden het dagloon onjuist was berekend vanwege een fout in de premie voor vroegpensioen. Het UWV besloot herzieningen alleen toe te passen voor nog lopende uitkeringen vanaf de datum van het verzoek, niet met terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit van het UWV, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de fout in het verleden geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro, en dat het UWV een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt door alleen lopende uitkeringen vanaf het verzoek te herzien.
De Raad wees ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen af. De Raad oordeelde dat appellant en anderen de mogelijkheid hadden rechtsmiddelen te gebruiken tegen de onjuiste dagloonvaststelling, en dat het ontbreken van motivering of specificatie geen reden is om het besluit met terugwerkende kracht te herzien.
De uitspraak bevestigt het beleid van het UWV en benadrukt het belang van rechtszekerheid en zorgvuldige belangenafweging bij herzieningsverzoeken van bestuursbesluiten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien wordt bevestigd.