ECLI:NL:CRVB:2007:BB1082
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuw feiten of omstandigheden
Appellant, werkzaam in de bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat het UWV had vastgesteld dat in de sector bouwnijverheid tussen 1998 en 2002 het dagloon onjuist was vastgesteld vanwege niet verwerkte vroegpensioenpremies. Het UWV besloot herzieningsverzoeken alleen te honoreren voor nog lopende uitkeringen vanaf de datum van het verzoek, niet met terugwerkende kracht.
De rechtbank Rotterdam wees het beroep van appellant af en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het feit dat het dagloon in het verleden onjuist werd vastgesteld, geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. Ook het argument dat de fout niet kenbaar was, leidt niet tot een ander oordeel.
De Raad benadrukt dat het UWV een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt en dat rechtsmiddelen openstonden voor appellant en anderen om tegen de dagloonvaststelling op te komen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en andere nationale en internationale bepalingen faalt eveneens. De Raad concludeert dat het besluit van het UWV niet onredelijk is en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien wordt bevestigd.