ECLI:NL:CRVB:2007:BB1083
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon met terugwerkende kracht wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, werkzaam in de sector Bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat bleek dat het UWV in het verleden de vroegpensioenpremie niet correct had verwerkt, wat leidde tot een te laag vastgesteld dagloon. Het UWV besloot echter alleen herziening toe te passen vanaf de datum van het verzoek en niet met terugwerkende kracht, omdat de fout geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid vormde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad overwoog dat het feit dat het UWV een fout maakte in de dagloonvaststelling niet als nieuw feit kan worden beschouwd en dat de belangenafweging van het UWV om alleen lopende uitkeringen te herzien niet onredelijk is.
Appellant voerde onder meer aan dat de fout voor hem niet kenbaar was en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, maar deze argumenten werden verworpen. Ook het beroep op nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen slaagde niet. De Raad benadrukte dat appellant en anderen de mogelijkheid hadden een rechtsmiddel te gebruiken tegen de foutieve vaststelling, maar dit niet deden.
De Raad concludeerde dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en dat het beleid om herziening niet met terugwerkende kracht toe te passen in overeenstemming is met artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.