ECLI:NL:CRVB:2007:BB1095
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon met terugwerkende kracht wegens ontbreken nieuw feiten
Appellant, werkzaam in de sector Bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat bleek dat het UWV in het verleden onjuist was vastgesteld vanwege niet-verwerkte vroegpensioenpremies.
Het UWV had het dagloon verhoogd vanaf de datum van het verzoek, maar weigerde dit met terugwerkende kracht te doen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelt dat het feit dat het UWV het dagloon in het verleden onjuist heeft vastgesteld geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. De Raad vindt het besluit van het UWV om de herziening alleen vanaf de datum van het verzoek toe te passen niet onredelijk. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en andere discriminatiebepalingen faalt.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien.