ECLI:NL:CRVB:2007:BB1103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuw feiten of veranderde omstandigheden
Appellant, werkzaam in de bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat het UWV had vastgesteld dat in het verleden de vroegpensioenpremie niet correct was verwerkt, wat leidde tot een te laag vastgesteld dagloon. Het UWV besloot herzieningsverzoeken alleen te honoreren voor nog lopende uitkeringen vanaf de datum van het verzoek en niet met terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad overwoog dat het feit dat het UWV in het verleden onjuist heeft gehandeld geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. Ook het argument dat de fout niet kenbaar was, kon dit niet veranderen.
De Raad vond dat het UWV een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt door herziening slechts toe te passen vanaf het moment van het verzoek en niet met terugwerkende kracht. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen slaagde niet. De uitspraak bevestigt dat het bestuursorgaan niet verplicht is om eerdere onjuiste besluiten met terugwerkende kracht te herstellen zonder nieuw feiten of omstandigheden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot herziening van het WW-dagloon met terugwerkende kracht wegens ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.