ECLI:NL:CRVB:2007:BB1104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herzieningsverzoek WW-dagloon na onjuiste vaststelling zonder terugwerkende kracht
Appellant, werkzaam in de bouwnijverheid, kreeg een WW-uitkering met een vastgesteld dagloon dat later onjuist bleek te zijn vastgesteld vanwege een fout in de werkinstructies van het UWV. Hoewel het dagloon bij verzoek is verhoogd, werd een terugwerkende herziening afgewezen omdat geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden waren vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat de onjuiste vaststelling van het dagloon in het verleden geen grond vormt voor herziening, mede omdat het UWV het beleid heeft om herziening alleen toe te passen vanaf de datum van het verzoek bij nog lopende uitkeringen.
Daarnaast faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel en andere nationale en internationale bepalingen. De Raad benadrukt dat appellanten de mogelijkheid hadden rechtsmiddelen te gebruiken tegen de oorspronkelijke vaststelling, maar dit niet deden. Het besluit van het UWV wordt als zorgvuldig en evenwichtig beoordeeld, en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot terugwerkende herziening van het WW-dagloon wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.