ECLI:NL:CRVB:2007:BB1107
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuw feiten of omstandigheden
Appellant, werkzaam in de sector Bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat het UWV had vastgesteld dat in het verleden onjuist was omgegaan met de vroegpensioenpremie in de dagloonberekening. Het UWV besloot herzieningsverzoeken alleen te honoreren voor nog lopende uitkeringen vanaf de datum van het verzoek, niet met terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het feit dat het dagloon in het verleden onjuist is vastgesteld geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid vormt in de zin van artikel 4:6 Awb Pro. Ook het argument dat de fout niet kenbaar was, faalt.
De Raad benadrukt dat het UWV een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt door alleen lopende uitkeringen vanaf het verzoek te herzien. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen wordt eveneens verworpen. De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien.