ECLI:NL:CRVB:2007:BB1109
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant, werkzaam in de sector Bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat het UWV had vastgesteld dat in het verleden de vroegpensioenpremie niet correct was verwerkt, wat leidde tot een te laag vastgesteld dagloon. Het UWV besloot echter alleen herziening toe te passen voor nog lopende uitkeringen vanaf de datum van het verzoek, niet met terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het feit dat het UWV in het verleden onjuist heeft gehandeld geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro, en dat het besluit om herziening slechts vanaf het verzoek toe te passen niet onredelijk is.
Verder faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel en andere nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen. De Raad benadrukt dat appellant en anderen de mogelijkheid hadden om rechtsmiddelen aan te wenden tegen de oorspronkelijke dagloonvaststelling, maar hiervan geen gebruik maakten.
De uitspraak is gedaan door G. van der Wiel en uitgesproken op 2 augustus 2007. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het WW-dagloon met terugwerkende kracht wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.