ECLI:NL:CRVB:2007:BB1113
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant, werkzaam in de sector Bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat het UWV had vastgesteld dat in het verleden de dagloonvaststelling onjuist was vanwege niet meegenomen vroegpensioenpremies. Het UWV besloot herziening slechts toe te passen vanaf de datum van het verzoek en niet met terugwerkende kracht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overweegt dat het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden betekent dat het UWV het oorspronkelijke besluit niet hoeft te herzien. De kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit is op zichzelf geen reden voor herziening. Het UWV heeft een zorgvuldige belangenafweging gemaakt door alleen lopende uitkeringen vanaf het verzoek te herzien.
Appellant voerde onder meer aan dat de fout niet kenbaar was en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, maar deze argumenten werden verworpen. Ook het beroep op nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen slaagde niet. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.