ECLI:NL:CRVB:2007:BB1115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon met terugwerkende kracht wegens ontbreken nieuw feit
Appellant, werkzaam in de sector Bouwnijverheid, kreeg een WW-uitkering met een vastgesteld dagloon. Later bleek dat het dagloon onjuist was vastgesteld vanwege een fout in de werkinstructies van het UWV met betrekking tot vroegpensioenpremies. Appellant verzocht om herziening van het dagloon met terugwerkende kracht, maar dit verzoek werd afgewezen omdat het UWV alleen herziening bij lopende uitkeringen vanaf de datum van het verzoek honoreert.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het feit dat het dagloon in het verleden onjuist is vastgesteld, geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. Ook het argument dat de fout niet kenbaar was, leidt niet tot een ander oordeel.
De Raad benadrukt dat het UWV een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt door herziening alleen vanaf het moment van het verzoek toe te staan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en andere nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen faalt eveneens. De Raad wijst ook op jurisprudentie dat bij duuraanspraken onderscheid moet worden gemaakt tussen verleden en toekomst.
De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en dat er geen aanleiding is tot proceskostenveroordeling. De beslissing is uitgesproken door rechter G. van der Wiel op 2 augustus 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.