ECLI:NL:CRVB:2007:BB1117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant, werkzaam in de sector Bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat bleek dat het UWV in het verleden onjuist was vastgesteld vanwege niet meegenomen vroegpensioenpremies. Het UWV besloot herziening slechts toe te passen vanaf de datum van het verzoek, niet met terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Volgens de Raad zijn de onjuiste dagloonvaststellingen geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. Het feit dat het UWV jarenlang onjuist heeft gehandeld, rechtvaardigt geen terugwerkende herziening.
De Raad overweegt dat appellant en andere betrokkenen de mogelijkheid hadden rechtsmiddelen te gebruiken tegen de oorspronkelijke vaststelling, wat niet is gebeurd. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen faalt. De Raad oordeelt dat het beleid van het UWV om herziening alleen toe te passen vanaf het moment van het verzoek niet onredelijk is en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.