ECLI:NL:CRVB:2007:BB1121
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon met terugwerkende kracht wegens ontbreken nieuw feiten of omstandigheden
Appellant, werkzaam in de sector Bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat bleek dat het UWV in het verleden de vroegpensioenpremie niet correct had verwerkt, wat leidde tot een te laag vastgesteld dagloon. Het UWV verhoogde het dagloon slechts vanaf de datum van het verzoek en weigerde terugwerkende kracht toe te passen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zoals vereist op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, een herziening met terugwerkende kracht niet rechtvaardigt. De kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit is op zichzelf onvoldoende. Tevens werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel en nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen verworpen.
De Raad stelde dat het UWV een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt door het dagloon alleen vanaf de datum van het verzoek te verhogen. Het feit dat het UWV jarenlang onjuiste besluiten nam, rechtvaardigt geen afwijking van dit beleid. Appellant had de mogelijkheid om eerder bezwaar te maken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht het verzoek tot herziening van het WW-dagloon met terugwerkende kracht heeft afgewezen wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.