ECLI:NL:CRVB:2007:BB1122
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant, werkzaam in de sector Bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat bleek dat het UWV in het verleden de vroegpensioenpremie niet correct had verwerkt, wat leidde tot een te laag vastgesteld dagloon. Het verzoek om herziening werd afgewezen omdat het niet gebaseerd was op nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals vereist volgens artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het feit dat het UWV een fout had gemaakt in de dagloonvaststelling niet als nieuw feit kan worden beschouwd. Ook het argument dat de fout niet kenbaar was, werd verworpen omdat appellant de mogelijkheid had om navraag te doen of bezwaar te maken.
De Raad benadrukte dat het UWV bij een zorgvuldige belangenafweging heeft besloten het dagloon alleen vanaf de datum van het verzoek te herzien en niet met terugwerkende kracht. Dit beleid is niet onredelijk en schendt geen gelijkheidsbeginsel. Het beroep op nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen slaagde eveneens niet.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Breda van 17 oktober 2006 werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.