ECLI:NL:CRVB:2007:BB1137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon met terugwerkende kracht wegens ontbreken nieuw feiten
Appellant, werkzaam in de bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat het UWV had vastgesteld dat in de sector tussen 1998 en 2002 de vroegpensioenpremie ten onrechte niet was meegenomen in de dagloonberekening. Het UWV verhoogde het dagloon slechts met ingang van de datum van het verzoek en weigerde terugwerkende kracht toe te passen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het feit dat het UWV het dagloon in het verleden onjuist heeft vastgesteld, geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid vormt zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. Ook het argument van appellant dat de fout voor hem niet kenbaar was, werd verworpen. De Raad vond dat het UWV een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging heeft gemaakt door herziening alleen toe te passen vanaf het moment van het verzoek.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen faalde eveneens. De Raad stelde dat het UWV in vergelijkbare gevallen geen algemene terugwerkende kracht toepast en dat het beleid in soortgelijke zaken consistent is. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het WW-dagloon niet met terugwerkende kracht hoeft te herzien wegens ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.