ECLI:NL:CRVB:2007:BB1149
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon met terugwerkende kracht wegens ontbreken nieuw feiten
Appellant, werkzaam in de sector Bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon dat door het UWV was vastgesteld. Het dagloon was vastgesteld op €137,15 bij toekenning van de uitkering in december 2004. Later bleek dat het UWV in de sector Bouwnijverheid de vroegpensioenpremie niet correct had verwerkt, wat leidde tot te lage dagloonvaststellingen.
Het UWV besloot herzieningsverzoeken alleen te honoreren indien de uitkering nog liep en vanaf de datum van het verzoek, niet met terugwerkende kracht. Appellant vroeg om herziening met terugwerkende kracht, maar dit werd afgewezen door het UWV en bevestigd door de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de onjuiste dagloonvaststelling geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. De Raad vond dat het UWV een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt door alleen lopende uitkeringen vanaf het verzoek te herzien. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en discriminatie slaagde niet. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.