ECLI:NL:CRVB:2007:BB1192

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-59 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk na tegemoetkoming Uwv in WAZ-uitkeringsgeschil

Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Het Uwv handhaafde aanvankelijk een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, maar na tussenkomst van de rechtbank werd het besluit vernietigd en moest het Uwv een nieuw besluit nemen.

In het nieuwe besluit stelde het Uwv de arbeidsongeschiktheid vast op 80 tot 100%, waarmee het tegemoet kwam aan de bezwaren van appellant. Appellant bevestigde dat hiermee zijn bezwaren waren weggenomen. De Raad besloot daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van een belang bij verdere beoordeling.

Daarnaast veroordeelde de Raad het Uwv tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant, omdat het Uwv zijn standpunt had gewijzigd en daarmee het geschil had doen vervallen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het Uwv met een nieuw besluit volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant.

Uitspraak

07/59 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 23 november 2006, 05/769
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Bij besluit van 22 september 2003 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) als uitkomst van de eerstejaarsbeoordeling onveranderd berekend blijft naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Adviesgroep te Zwolle, bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 7 juni 2005 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak met bepalingen omtrent betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op het bezwaar van appellant zal nemen.
Namens appellant heeft Van Baarlen, voornoemd, hoger beroep ingesteld.
Bij verweerschrift van 8 maart 2007 heeft het Uwv de Raad meegedeeld dat in de aangevallen uitspraak wordt berust. Het Uwv heeft bij een nieuw besluit op bezwaar, gedateerd 8 maart 2007, aan appellant meegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAZ met ingang van 31 juli 2003 wordt vastgesteld op 80 tot 100%.
Bij brief van 13 juni 2007 heeft Van Baarlen de Raad meegedeeld dat het Uwv met de brief van 23 mei 2007 geheel is tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant. Het Uwv heeft in laatstgenoemde brief bevestigd dat de WAZ-uitkering met ingang van 31 juli 2003 alsnog tot het juiste bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en aan appellant zal worden (na)betaald.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Met het nieuw besluit op bezwaar van 8 maart 2007 heeft het Uwv te kennen gegeven zijn oorspronkelijk ingenomen standpunt niet langer te handhaven.
Namens appellant heeft Van Baarlen bij brief van 13 juni 2007 in reactie op de brief van
23 mei van het Uwv de Raad meegedeeld dat het Uwv geheel is tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, volgt dat in zo’n geval belang bij een beoordeling van dat besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Nu gelet op de inhoud van de brief van 13 juni 2007 een dergelijk verzoek niet is gedaan, is naar het oordeel van de Raad appellants procesbelang bij beoordeling van het bestreden besluit komen te vervallen. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, welke kosten worden ter zake van aan appellant verleende rechtsbijstand begroot op € 322,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Rechtdoende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant tot een bedrag van
€ 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
SSw