ECLI:NL:CRVB:2007:BB1380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- M.R. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Vernietiging herzieningsbesluit WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige grondslag
Appellante, werkzaam als bankemployee, kreeg vanaf 1996 een WAO-uitkering toegekend vanwege diverse medische klachten en operaties. In 2004 werd haar uitkering herzien op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundig rapport, waarbij haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld tussen 35 en 45%. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat de beperkingen, waaronder concentratieproblemen en handfunctie, onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep herzag de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De medische beoordeling werd bevestigd, maar de Raad oordeelde dat de arbeidskundige grondslag onvoldoende was gemotiveerd, met name ten aanzien van de concentratie-eisen en handfuncties in de geduide functies. De Raad stelde vast dat appellante zich in de functie productiemedewerker vrijwel continu zou moeten concentreren, hetgeen niet verenigbaar is met haar beperkingen.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Over eventuele schadevergoeding deed de Raad geen uitspraak, omdat het nieuwe besluit nog moet worden genomen.
Uitkomst: Het herzieningsbesluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de arbeidskundige grondslag en het UWV dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen.