ECLI:NL:CRVB:2007:BB1382
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding ondanks huwelijkssituatie
Appellante had bijstand ontvangen op grond van de norm voor een alleenstaande ouder. Het College trok deze bijstand in per 1 februari 2005, omdat uit een huisbezoek bleek dat zij niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot, ondanks dat zij formeel gehuwd waren en een beschikking van de rechtbank Rotterdam over het gebruik van de echtelijke woning bestond.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen de intrekking ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank een onjuiste maatstaf had gehanteerd door het criterium gezamenlijke huishouding toe te passen in plaats van de wettelijke definitie van duurzaam gescheiden leven volgens artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB.
Uit het huisbezoek en verklaringen bleek dat de echtgenoot regelmatig in de woning verbleef en dat er geen sprake was van een duurzame scheiding. De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en het besluit van het College, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd omdat appellante niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot.