ECLI:NL:CRVB:2007:BB1396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- R.C. Stam
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te beëindigen per 25 februari 2005, omdat volgens het UWV op de peildatum 8 april 2004 geen sprake was van een ziekte of gebrek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische grondslag van het besluit juist was. In hoger beroep stelde appellant dat het UWV nader medisch onderzoek had moeten verrichten, verwijzend naar latere onderzoeken van een neuroloog die de diagnose preseniele ziekte van Alzheimer stelde.
De bezwaarverzekeringsarts van het UWV stelde dat de latere onderzoeken niet relevant waren voor de peildatum en dat op die datum geen objectief vastgestelde medische beperkingen aanwezig waren. De Raad nam echter kennis van de latere diagnose en concludeerde dat de klachten van appellant op de peildatum en bij de beëindiging het gevolg waren van deze ziekte en niet van een normaal ouderdomsproces.
De Raad oordeelde dat het besluit van het UWV niet op een deugdelijke medische grondslag berustte en vernietigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Vergoeding van schade werd niet toegewezen, maar het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot beëindiging van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.