ECLI:NL:CRVB:2007:BB1455
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- R.C. Stam
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verlaging maandelijkse aflossingsbedrag WAO-schuld wegens niet aannemelijk gemaakte gezamenlijke huishouding
Appellant had een schuld van €38.668,75 bij het UWV vanwege teruggevorderde WAO-uitkeringen, met een vastgesteld maandbedrag van €445,38. Hij verzocht om verlaging van dit bedrag, stellende dat zijn ex-echtgenote sinds enkele weken bij hem woonde, wat een wijziging in zijn leefsituatie zou betekenen. Het UWV handhaafde het aflossingsbedrag en appellant maakte bezwaar.
In het hoger beroep stelde appellant dat hij en zijn ex-echtgenote een gezamenlijke huishouding voerden en dat hij een lening had afgesloten wegens financiële druk. De Raad overwoog dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd voor het gedeeld hoofdverblijf. De verklaring van de ex-echtgenote en de door appellant verstrekte informatie waren niet consistent en ondersteunden de stelling niet.
De Raad merkte op dat de rechtbank terecht buiten de grenzen van artikel 8:69 Awb Pro was getreden door ook de hardheidsclausule te betrekken, omdat appellant hier geen beroep op had gedaan. De gemeentelijke verklaring over inschrijving van de ex-echtgenote op het adres van appellant dateerde van na het bestreden besluit en kon daarom geen grond zijn voor verlaging op dat moment.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Breda en wees het beroep van appellant af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het maandelijkse aflossingsbedrag blijft ongewijzigd.