ECLI:NL:CRVB:2007:BB1456

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-395 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73a AwbArt. 8:75a AwbArt. 7:15 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding wettelijke rente en proceskosten na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht inzake een WAO-uitkering. Tijdens de procedure trok appellant het hoger beroep in, omdat het UWV geheel aan zijn bezwaren tegemoet was gekomen met een nieuwe beslissing op bezwaar.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikelen 8:73a en 8:75a) het bestuursorgaan bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming kan worden veroordeeld tot schadevergoeding en proceskostenvergoeding. Het UWV had niet betwist dat het aan appellant tegemoet was gekomen.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering en tot betaling van proceskosten van in totaal €1.610,--, alsmede tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €134,--. Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten met instemming van partijen.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de na te betalen uitkering en tot vergoeding van proceskosten van €1.610 en griffierecht van €134.

Uitspraak

06/395 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in de artikelen 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[A. te B. ] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 december 2005, 03/922 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.H.M. Hartmans, advocaat te Gulpen, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Bij brief van 13 april 2007 heeft mr. Hartmans, voornoemd, namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de door appellant geleden schade alsmede te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van Pro de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb is hierbij van toepassing. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is artikel 8.75a van de Awb van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat de nieuwe beslissing op bezwaar van 13 februari 2007 geheel aan de bezwaren van appellant tegemoetkomt.
Nu het Uwv niet heeft betwist dat aldus aan appellant is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en € 322,-- in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.610,--.
Voorts overweegt de Raad het Uwv overeenkomstig het verzoek van appellant ook te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant verschuldigde wettelijke rente over die na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995, 314.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.610,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 134,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
SSw