ECLI:NL:CRVB:2007:BB1507
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep wegens ontbreken Nederlandse nationaliteit voor uitkering vervolgingsslachtoffers
Appellant, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, diende een aanvraag in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Deze aanvraag werd afgewezen omdat appellant niet voldeed aan het nationaliteitsvereiste van artikel 3, eerste lid, van de Wet en bovendien geen vervolging in de zin van de Wet had ondergaan.
De kern van het geschil betrof de vraag of appellant ooit de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten. Verweerster voerde aan dat na uitgebreid onderzoek, onder meer via de Nederlandse Ambassade in Jakarta, niet was gebleken dat appellant of zijn vader de Nederlandse nationaliteit hadden. De naam van de vader van appellant ontbrak in de Regeringsalmanak van Nederlandsch-Indië, en stukken over militaire nalatenschappen wezen erop dat de vader tot de inheemse bevolking bleef behoren.
Appellant heeft geen bewijs aangeleverd dat hij of zijn vader de Nederlandse nationaliteit bezaten. De Raad kon zich vinden in het oordeel van verweerster en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees de Raad een vergoeding van proceskosten af op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van de Nederlandse nationaliteit.