ECLI:NL:CRVB:2007:BB1507

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5578 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep wegens ontbreken Nederlandse nationaliteit voor uitkering vervolgingsslachtoffers

Appellant, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, diende een aanvraag in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Deze aanvraag werd afgewezen omdat appellant niet voldeed aan het nationaliteitsvereiste van artikel 3, eerste lid, van de Wet en bovendien geen vervolging in de zin van de Wet had ondergaan.

De kern van het geschil betrof de vraag of appellant ooit de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten. Verweerster voerde aan dat na uitgebreid onderzoek, onder meer via de Nederlandse Ambassade in Jakarta, niet was gebleken dat appellant of zijn vader de Nederlandse nationaliteit hadden. De naam van de vader van appellant ontbrak in de Regeringsalmanak van Nederlandsch-Indië, en stukken over militaire nalatenschappen wezen erop dat de vader tot de inheemse bevolking bleef behoren.

Appellant heeft geen bewijs aangeleverd dat hij of zijn vader de Nederlandse nationaliteit bezaten. De Raad kon zich vinden in het oordeel van verweerster en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees de Raad een vergoeding van proceskosten af op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van de Nederlandse nationaliteit.

Uitspraak

06/5578 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A. te B. ] Indonesië, (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 26 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 31 maart 2006, kenmerk JZ/T60/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2007. Daar is appellant niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
In februari 2007 heeft appellant, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde te worden gelijkgesteld en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 9 december 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Hiertoe is overwogen dat appellant geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en voorts niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wet gestelde nationaliteitsvereisten, zodat ook geen aanleiding bestaat te onderzoeken of gelijkstelling met de vervolgde als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet mogelijk is.
Door appellant wordt niet betwist dat hij geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Het geding spitst zich dan ook toe op de vraag of appellant voldoet aan het in artikel 3, eerste lid, van de Wet gestelde nationaliteitsvereiste.
De Raad overweegt als volgt.
Blijkens de gedingstukken heeft verweerster na uitgebreid onderzoek mede via de Nederlandse Ambassade te Jakarta, het door die ambassade ingenomen standpunt overgenomen dat ten behoeve van appellant voor de toepassing van de Wet niet een zogenoemde nationaliteitsverklaring kan worden afgegeven aangezien niet is komen vast te staan dat appellant ooit de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten. Daarbij heeft verweerster van doorslaggevende betekenis geacht, zoals toegelicht ter zitting, dat niet is gebleken dat de vader van appellant, [vader van appellant], destijds het Nederlanderschap heeft bezeten; de naam [vader van appellant] is onder meer niet aangetroffen in de zogeheten Regeringsalmanak van Nederlandsch-Indië, waarin alle Nederlandse geboorten werden gepubliceerd. Ter zitting heeft verweerster voorts nog naar voren gebracht dat uit stukken met betrekking tot de afwikkeling van de militaire nalatenschappen kan worden begrepen dat de vader van appellant is blijven behoren tot de inheemse bevolking.
Op grond van de voorhanden zijnde stukken en het verhandelde ter zitting kan de Raad zich met het oordeel van verweerster verenigen. Gegevens waaruit naar voren komt dat de vader van appellant de Nederlandse nationaliteit heeft gehad zijn na onderzoek door verweerster niet beschikbaar gekomen noch door appellant overgelegd.
Het vorenstaande betekent dat het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordig-heid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2007.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
28.06