ECLI:NL:CRVB:2007:BB1508
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld
Appellant heeft in oktober 2005 een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn ervaringen tijdens de Duitse bezetting. Hij verwees onder meer naar huiszoekingen door Duitse bezetters, het overlijden van familieleden en de tewerkstelling van zijn vader in Oekraïne.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij direct was getroffen door oorlogsgeweld zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. De Raad benadrukte dat algemene oorlogsomstandigheden, waaraan velen blootstonden, niet voldoen aan de criteria voor erkenning.
De Raad concludeerde dat de huiszoekingen niet persoonlijk tegen appellant gericht waren en niet gepaard gingen met extreem geweld. Hoewel appellant angstige omstandigheden heeft ervaren, volstaat dit niet voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt afgewezen.