ECLI:NL:CRVB:2007:BB1606

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3427 WAO-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 19 BeroepswetArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij beëindiging arbeidsongeschiktheidsuitkering

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake de beëindiging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Verzoeker stelde dat hij door het wegvallen van de uitkering in ernstige financiële en sociale problemen verkeert, mede door hoge ziektekosten vanwege de ziekte van Crohn en de zorg voor twee kinderen. Hij gaf aan geen andere inkomsten te hebben en schulden te hebben opgebouwd.

De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verzoeker onvoldoende inzicht had gegeven in zijn financiële situatie en dat het inkomen van zijn partner, hoewel beperkt, niet leidde tot een onhoudbare noodsituatie. Ook werd overwogen dat de wetgever schorsende werking toekent aan bezwaar en beroep tegen dergelijke besluiten, waardoor het spoedeisend belang ontbrak.

Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

07/3427 WAO-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in de artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:
[A. te B.] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2007, 06/2362 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
het Uwv.
Datum uitspraak: 1 augustus 2007
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Namens verzoeker heeft mr. M. Amrani, advocaat te Amsterdam, bij faxbericht van 12 juni 2007 om een voorlopige voorziening verzocht.
Desgevraagd is namens verzoeker bij faxbericht van 9 juli 2007 het verzoek toegelicht.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ter motivering van zijn verzoek heeft verzoeker aangevoerd dat door het beëindigen van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en het vooruitzicht dat de uitkomst van de door het Uwv bij de Raad ingestelde beroepsprocedure nog lang op zich laat wachten, hij in grote financiële en sociale problemen is geraakt. Hij is niet langer in staat zijn vaste lasten te voldoen waaronder zijn ziektekostenpremie, waardoor zijn gezondheid in ernstig gevaar dreigt te komen omdat hij afhankelijk is van dure medicijnen voor de behandeling van de ziekte van Crohn.
Desgevraagd is door verzoeker aangegeven dat hij geen andere bron van inkomsten heeft waardoor hij grote schulden heeft gemaakt bij familie, vrienden en zijn ziektekostenverzekeraar, dat hij de zorg heeft over twee kinderen, zijn partner een inkomen verdient tussen € 1100,- en € 1200,- per maand en dat dit inkomen ontoereikend is om de vaste lasten van het gezin te kunnen dragen, waaronder een huur van € 550,-, ziektekosten van circa € 240,- en de kosten van het huishouden.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Ten aanzien van de financiële en sociale problemen constateert de voorzieningenrechter dat door verzoeker is aangegeven dat zijn partner een inkomen heeft en dat verzoeker zijn standpunt niet heeft onderbouwd met gegevens die inzicht geven in zijn financiële situatie. Verzoeker heeft dan ook volgens de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat hij door het ingstelde hoger beroep door het Uwv en het voorlopig uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar in een onhoudbare financiële noodsituatie is geraakt. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.
Voor zover het verzoek zou moeten worden opgevat als een verzoek om de schorsende werking van het hoger beroep op te heffen, overweegt de voorzieningenrechter dat de wederzijds zich aandienende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de in de aangevallen uitspraak gegeven opdracht aan het Uwv tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar in dat geval zouden moeten worden beschouwd en afgewogen tegen de achtergrond van de omstandigheid dat de wetgever blijkens artikel 19 van Pro de Beroepswet in combinatie met onderdeel C van de bijlage bij die wet, onder 1, uitdrukkelijk schorsende werking heeft willen toekennen aan het bezwaar en beroep tegen besluiten als de onderhavige. De door verzoekers gemachtigde aangevoerd omstandigheid dat verzoeker voor zijn inkomen afhankelijk is van onderhavig uitkeringsrecht acht de voorzieningenrechter, mede in het licht van de bovenomschreven toets, vooralsnog onvoldoende om enig spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorzieningen aan te nemen.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is gelet op het hiervoor overwogene kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak zal doen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
JL