ECLI:NL:CRVB:2007:BB1617

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-850 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:75 AwbArtikel 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet betalen griffierecht afgewezen

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Almelo, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet betalen van het griffierecht. Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring is namens appellant pro forma verzet aangetekend, waarbij de Raad verzocht werd om appellant in de gelegenheid te stellen het verzet te motiveren.

De Raad heeft appellant en zijn gemachtigde meerdere malen schriftelijk in de gelegenheid gesteld om binnen een gestelde termijn de verzetsgronden in te dienen. Deze termijnen zijn telkens ongebruikt voorbijgegaan. Ondanks herhaalde aanmaningen en waarschuwingen dat overschrijding tot niet-ontvankelijkverklaring zou leiden, heeft appellant geen inhoudelijke reactie gegeven.

Op de zitting van 28 juni 2007, waarvoor appellant was uitgenodigd, is geen gehoor gegeven aan de oproep. Een verzoek om uitstel van de zitting is door de Raad afgewezen. Gelet op het ontbreken van verzetsgronden en het niet verschijnen van appellant, verklaart de Centrale Raad van Beroep het verzet niet-ontvankelijk. Er zijn geen omstandigheden die toepassing van artikel 8:75 Awb Pro rechtvaardigen.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van verzetsgronden binnen de gestelde termijnen.

Uitspraak

06/850 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[A. te B.] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 februari 2006, 05/615 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna Uwv).
Datum uitspraak: 26 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 1 juni 2006 heeft de Raad het namens appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard in verband met het niet betalen van het griffierecht.
Tegen voornoemde uitspraak is namens appellant pro forma verzet aangetekend en is de Raad verzocht om appellant in de gelegenheid te stellen het verzet te motiveren.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2007, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Het ingediende verzetschrift bevat geen gronden.
Bij schrijven van 2 november 2006 is de heer Th. Zoetebier, werkzaam bij Partner & Partner U.A., in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Gemachtigde van appellant heeft deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan.
Bij aangetekend schrijven van 4 december 2006 is aan de gemachtigde van appellant nogmaals de gelegenheid geboden de verzetsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzet kan leiden.
Gemachtigde van appellant heeft ook deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan.
Op 5 februari 2007 is appellant in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de verzetsgronden in te dienen.
Hij heeft deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan.
Bij aangetekend schrijven van 8 maart 2007 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden de verzetsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzet kan leiden.
Appellant heeft ook deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan.
Bij aangetekend schrijven van 11 mei 2007 is appellant in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 28 juni 2007. Op 25 juni 2007 is de kennisgeving voor de zitting van 28 juni 2007 retour gekomen met de mededeling “niet afgehaald”.
Na verificatie van het adres van appellant is op 25 juni 2007 de kennisgeving voor de zitting van 28 juni 2007 nogmaals (1 maal aangetekend en 1 maal per gewone post) verzonden. Hierop heeft appellant gereageerd met een fax van 27 juni 2007, 17:06 uur, waarin hij heeft verzocht om uitstel van de zitting van 28 juni 2007.
De Raad overweegt dat appellant in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld de gronden van het verzet in te dienen, terwijl de Raad voorts geen reden ziet om het verzoek om uitstel van de zitting te honoreren. De Raad wijst appellant erop dat het voor zijn risico komt dat hij nimmer - inhoudelijk - heeft gereageerd na de reeds bij aangetekend schrijven van 11 mei 2007 verzonden uitnodiging voor de zitting van
28 juni 2007.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
BKH 270707