ECLI:NL:CRVB:2007:BB1698

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5512 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 6 februari 2004, waarin haar aanvraag voor een WAO-uitkering werd geweigerd omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 25 mei 2004 ongegrond verklaard en de rechtbank Amsterdam bevestigde deze beslissing in haar uitspraak van 18 juli 2005. De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts zorgvuldig was en dat appellante geschikt was voor haar eigen werk als accountmanager.

In hoger beroep heeft appellante haar eerdere grieven herhaald, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De Raad onderschreef de medische beoordeling en het oordeel dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Er waren geen gronden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en het besluit van het UWV om de WAO-uitkering te weigeren met ingang van 22 december 2003. Appellante was niet verschenen bij de zitting van 24 juli 2007, en het UWV werd vertegenwoordigd door een gemachtigde.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/5512 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2005, 04/1352 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L. de Groot, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft als verweer een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 5 december 2005 overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2007. Appellante is -zoals tevoren bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 6 februari 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 22 december 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder de overweging dat appellante voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet is. Bij besluit van 25 mei 2004, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 februari 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat naar het oordeel van de rechtbank in de gedingstukken en in hetgeen door appellante is aangevoerd geen aanknopingspunten zijn gevonden om te oordelen dat de verzekeringsarts de medische beperkingen van appellante, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst, heeft onderschat. Het bestreden besluit is volgens de rechtbank gebaseerd op een deugdelijke medische grondslag. De rechtbank kan de conclusie dat appellante geschikt is voor haar eigen werk als account manager onderschrijven. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15% en terecht de WAO-uitkering geweigerd met ingang van 22 december 2003.
In hoger beroep heeft appellante haar tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende.
De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medische aspect van het bestreden besluit onderschrijft de Raad. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, kan geen ander licht op de zaak werpen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
MR