ECLI:NL:CRVB:2007:BB1709

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4592 WAO + 06-4944 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 75a WAOArt. 75 WAOArt. 26 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over aard brief als besluit en ontvankelijkheid bezwaar eigen risicodragerschap WAO

In deze zaak stond centraal of een brief van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) aan belanghebbende, waarin werd meegedeeld dat zij als eigen risicodraagster verantwoordelijk is voor de betaling van een WAO-uitkering, een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vormt. De rechtbank had het bezwaar van belanghebbende tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij de brief niet als een besluit kwalificeerde.

De Centrale Raad van Beroep stelde in hoger beroep vast dat de brief wel degelijk een besluit is, omdat het een betalingsverplichting oplegt op grond van artikel 75a van de WAO. Dit oordeel wijkt af van eerdere uitspraken van de Raad, maar sluit aan bij de jurisprudentie van oktober 2006. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug ter verdere behandeling.

De Raad overwoog dat het feit dat de betalingsverplichting voortvloeit uit de wet niet uitsluit dat de brief een besluit is dat bezwaar en beroep toelaat. Er waren geen gronden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 31 juli 2007.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor verdere afdoening.

Uitspraak

06/4592 WAO
06/4944 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
1. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)
2. [Belanghebbende],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2006, 05/6189 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
belanghebbende
en
appellant.
Datum uitspraak: 31 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens belanghebbende heeft ook mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG-Nederland, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Zowel belanghebbende als appellant hebben van verweer gediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2007. Daar is voor belanghebbende verschenen [naam directeur], voormalig directeur van belanghebbende, bijgestaan door mr. De Rooij, voornoemd. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.S. Rabarison, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.
Bij brief van 18 februari 2005 heeft appellant aan belanghebbende meegedeeld dat zij, gezien het feit dat zij per 1 juli 2004 eigen risicodraagster is geworden, op grond van artikel 75a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vanaf deze datum zorg dient te dragen voor de betaling van de WAO-uitkering van [B.].
Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 14 november 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het door belanghebbende tegen het besluit van 14 november 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat gelet op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 11 november 2004 (gepubliceerd in USZ 2005,31) en van 26 mei 2005, LJN: AT 6811, de brief van 18 februari 2005 geen besluit vormt in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De brief bevat slechts informatie over de direct uit de wet voortvloeiende gevolgen van het eigen risicodragerschap na de toekenning van een WAO-uitkering aan een gewezen werknemer van belanghebbende en mist zelfstandige betekenis.
De door appellant en belanghebbende tegen dit oordeel gerichte grief slaagt. Hiervoor verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 10 oktober 2006, LJN AZ 0127, gepubliceerd in RSV 2006/353 en USZ 2006/330. Zoals blijkt uit deze uitspraak is de Raad - anders dan in zijn uitspraak van 11 november 2004 - thans van oordeel dat een mededeling, zoals in de brief van 18 februari 2005, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, strekkende tot het opleggen van een betalingsverplichting. Het feit dat de in artikel 75a, vierde lid, eerste volzin, van de WAO vervatte betalingsverplichting voortvloeit uit de wet, nadat is vastgesteld dat aan de in artikel 75, eerste tot en met derde lid, gestelde voorwaarden is voldaan, maakt dit, gegeven de in die leden vervatte beslismomenten, ook al hebben deze in de regel een beperkte strekking, niet anders. Tegen een dergelijke besluit kan dus bezwaar en beroep worden ingesteld. De aangevallen uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.
De Raad acht termen aanwezig om het geding met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet ter afdoening terug te wijzen naar de rechtbank.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak ter verdere afdoening terug naar de rechtbank Rotterdam.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) D. Olthof.
PR