ECLI:NL:CRVB:2007:BB1947
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- R. Kooper
- G.F. Walgemoed
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tijdelijke aanstelling ambtenaar bij EUMM en toepassing Reglement Dienst Buitenlandse Zaken
Appellant was sinds december 2001 in verschillende tijdelijke dienstverbanden bij de European Union Monitoring Mission (EUMM) werkzaam, aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst en later als ambtenaar van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij stelde dat zijn werkzaamheden als monitor feitelijk hetzelfde waren gebleven, waardoor zijn opeenvolgende tijdelijke aanstellingen als vaste dienstbetrekking moesten worden aangemerkt volgens artikel 19, zevende lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ).
De minister betwistte dit en stelde dat appellant vanaf zijn aanstelling als senior beleidsmedewerker en plaatsvervangend hoofd van de missie (DHMO) extra taken en verantwoordelijkheden had gekregen die wezenlijk verschilden van zijn eerdere werkzaamheden als monitor. De Raad concludeerde dat er inderdaad sprake was van een wezenlijke wijziging in de werkzaamheden, mede onderbouwd door functieprofielen en verklaringen van leidinggevenden.
De Raad oordeelde dat de derde tijdelijke aanstelling van appellant niet als vaste aanstelling kan worden aangemerkt, omdat niet voldaan is aan de vereisten van artikel 19, zevende lid, RDBZ. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd; de derde tijdelijke aanstelling is geen vaste aanstelling.