Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarbij haar WAO-uitkering met ingang van 14 december 2003 werd ingetrokken. Na bezwaar verklaarde het UWV de uitkering alsnog gegrond en stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast tussen 45 en 55 procent. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij vanwege rugpijn en de onderschatting van de psychische gevolgen daarvan niet in staat is te werken en dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn.
Het UWV stelde dat medisch onderzoek geen aanwijzingen gaf voor verminderde psychische belastbaarheid. De Raad overwoog dat het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in stand kan blijven, mede omdat de nieuwe argumenten in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten bevatten. Tevens bleek uit medische informatie dat appellante op de datum van 14 december 2003 niet werd behandeld voor psychische klachten.
Hoewel appellante later weer voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt werd bevonden, betekent dit niet dat de beoordeling op de datum van herziening onjuist was. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot herziening van de WAO-uitkering van appellante.
Uitspraak
05/4951 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 juli 2005, 04/1064 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft H.H.M. Meijers, accountant-administratieconsulent te Groesbeek, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2007. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde Meijers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C.M. van de Pol.
II. OVERWEGINGEN
Nadat appellante bij de rechtbank beroep had ingesteld tegen een besluit van 27 juli 2004 met betrekking tot een bezwaar tegen een besluit van 10 november 2003, waarbij de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellante met ingang van 14 december 2003 was ingetrokken, heeft het Uwv bij besluit van 31 maart 2005, verder: het bestreden besluit, het bezwaar alsnog gegrond verklaard en besloten de WAO-uitkering van appellante met ingang van 14 december 2003 te herzien en vast te stellen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder meer, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak.
Daartoe is aangevoerd dat appellante vanwege rugpijn niet in staat is om te werken en dat ook de psychische gevolgen van die pijn door het Uwv zijn onderschat. Naar het oordeel van appellante zijn de geselecteerde functies daarom voor haar niet geschikt.
Het Uwv wijst erop dat bij het medisch onderzoek niet is gebleken van verminderde psychische belastbaarheid van appellante; het onderzoek van de verzekeringsarts was daarop gericht en deze heeft geen psychopathologie waargenomen.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Met overneming van de overwegingen in de aangevallen uitspraak met betrekking tot de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, beantwoordt de Raad deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.
Hetgeen door de gemachtigde van appellante in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
Aan de reactie van het Uwv op het beroepschrift voegt de Raad nog toe dat hem uit de door de bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans opgevraagde informatie bij de huisarts van 10 mei 2004 niet is gebleken dat appellante omstreeks 14 december 2003, de datum die thans in geding is, in verband met psychische klachten werd behandeld.
Dat appellante, zoals de gemachtigde Meijers ter zitting van de Raad heeft medegedeeld, met ingang van mei 2004 weer voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is bevonden, wil niet zeggen dat daardoor ook vaststaat dat de beoordeling van appellantes gezondheidstoestand op de datum 14 december 2003 onjuist is geweest.
De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspaak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2007.