ECLI:NL:CRVB:2007:BB2103

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1364 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • C.W.J. Schoor
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens overschrijding bezwaartermijn in WAO-uitkeringszaak

Appellante ontving een WAO-uitkering die door het Uwv bij besluit van 26 april 2006 werd herzien met ingang van 21 juni 2006. Tegen dit besluit maakte zij bezwaar met een brief gedateerd 4 juni 2006, maar deze werd pas op 9 juni 2006 ontvangen door het Uwv. Het bezwaar werd door het Uwv niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij het bezwaarschrift niet zelf had geschreven en dat de vertraging niet haar schuld was. De Raad oordeelde echter dat de bezwaartermijn op 7 juni 2006 was geëindigd en dat het bezwaarschrift op 8 juni 2006 ter post was bezorgd, dus te laat.

De Raad vond geen reden om af te wijken van de niet-ontvankelijkverklaring, aangezien appellante verantwoordelijk blijft voor haar correspondentie, ook als die door een gezinslid wordt verzorgd. Er waren geen omstandigheden die een uitzondering op de termijnoverschrijding rechtvaardigden. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het bezwaar van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

07/1364 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2007, 06/2252 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft haar dochter, G. Parmessar, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot, H. Parmessar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
Appellante ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Bij besluit van 26 april 2006, voor zover hier van belang, heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 21 juni 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Appellante heeft bij op 4 juni 2006 gedagtekende brief, door het Uwv ontvangen op 9 juni 2006, tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft bij het thans bestreden besluit van 3 juli 2006 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dat beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
In hoger beroep is namens appellante gesteld dat appellante het bezwaarschrift niet zelf heeft geschreven maar een van haar gezinsleden. Dat die brief te laat is aangekomen, is volgens appellante dan ook niet haar fout.
De Raad oordeelt als volgt.
Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Artikel 6:8 van Pro de Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Het besluit is op 26 april 2006 aan appellante toegezonden waarmee de bezwaartermijn op 27 april 2006 is gaan lopen en derhalve op 7 juni 2006 is geëindigd. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Het bezwaarschrift is blijkens de poststempel op de enveloppe op 8 juni 2006 ter post bezorgd, derhalve buiten de gestelde bezwaartermijn van zes weken. Het bewaarschrift is, als hiervoor aangegeven, op 9 juni 2006 door het Uwv ontvangen.
Ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend bezwaarschrift blijft ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
In hetgeen appellante in haar hoger beroepschrift en ter zitting van de Raad heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een dergelijk oordeel te komen. Dat één van de gezinsleden van appellante het bezwaarschrift te laat ter post heeft bezorgd dient voor rekening en risico van appellante te komen. Appellante blijft verantwoordelijk voor haar eigen correspondentie. Het feit dat die correspondentie is verzorgd door één van haar gezinsleden maakt dit niet anders.
De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.R. van der Vos.
TM