ECLI:NL:CRVB:2007:BB2180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 16 mei 2004 in te trekken. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat appellante niet onder behandeling was voor psychische klachten, zodat het ontbreken van het medisch dossier niet leidde tot onzorgvuldig onderzoek.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische klachten en dat de rechtbank had moeten zorgen voor aanvullend medisch onderzoek. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter de overwegingen van de rechtbank. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts hadden de psychische klachten betrokken zonder aanwijzingen voor beperkingen in functioneren. Het ontbreken van oudere medische rapportages deed niet af aan de zorgvuldigheid van het onderzoek.
De Raad bevestigde dat de functies die aan appellante werden voorgehouden in overeenstemming waren met haar belastbaarheid. Er waren geen gronden om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, waarmee het beroep van appellante werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.