ECLI:NL:CRVB:2007:BB2189
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij vanaf 5 juli 2004 niet langer wegens ziekte ongeschikt was voor haar werk en daardoor geen recht meer had op ziekengeld. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische gegevens, waaronder rapporten van de huisarts en reumatoloog, geen aanleiding gaven om het standpunt van het UWV te verwerpen.
In hoger beroep heeft appellante medische rapporten overgelegd, waaronder een expertise van een verzekeringsgeneeskundige van ruim een jaar na de datum in geschil. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze expertise niet toereikend was om het oordeel over de geschiktheid op de datum in kwestie te wijzigen. De Raad onderschreef het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat de medische onderbouwing onvoldoende was om aan te nemen dat appellante niet of slechts beperkt in staat was haar eigen werk te verrichten.
De Raad sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en zag geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geschikt is haar eigen werk te verrichten en geen recht heeft op ziekengeld.