ECLI:NL:CRVB:2007:BB2189

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5170 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbZiektewet (ZW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen werk

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij vanaf 5 juli 2004 niet langer wegens ziekte ongeschikt was voor haar werk en daardoor geen recht meer had op ziekengeld. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische gegevens, waaronder rapporten van de huisarts en reumatoloog, geen aanleiding gaven om het standpunt van het UWV te verwerpen.

In hoger beroep heeft appellante medische rapporten overgelegd, waaronder een expertise van een verzekeringsgeneeskundige van ruim een jaar na de datum in geschil. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze expertise niet toereikend was om het oordeel over de geschiktheid op de datum in kwestie te wijzigen. De Raad onderschreef het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat de medische onderbouwing onvoldoende was om aan te nemen dat appellante niet of slechts beperkt in staat was haar eigen werk te verrichten.

De Raad sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en zag geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het beroep van appellante ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geschikt is haar eigen werk te verrichten en geen recht heeft op ziekengeld.

Uitspraak

05/5170 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 juli 2005, 04/2629 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F.H. Kuiper, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door
mr. B.C.A. Reijnders, advocaat te Venlo. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood.
II. OVERWEGINGEN
Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 28 juni 2004 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat zij op en na 5 juli 2004 niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid wordt geacht en dat zij daarom met ingang van die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 17 september 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van
28 juni 2004 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts .
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In de uitspraak is de rechtbank uitvoerig ingegaan op hetgeen namens appellante is aangevoerd en op de door appellante overgelegde medische rapporten. Naar het oordeel van de rechtbank geven de zich in het dossier bevindende medische gegevens, waaronder rapporten van de huisarts en de behandelend reumatoloog van appellante, geen aanleiding om het Uwv niet te volgen in zijn standpunt dat appellante op de datum in geding geschikt is te achten haar eigen werk van medewerkster debiteurenadministratie gedurende 36 uur per week te verrichten. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen, die de Raad tot de zijne maakt. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Met betrekking tot de door appellante overgelegde expertise van de verzekeringsgeneeskundige P.M.J. Swerts van 10 augustus 2005 merkt de Raad op dat deze appellante op 10 augustus 2005, dus ruim een jaar na de datum in geding, heeft onderzocht en zijn conclusies niet toespitst op de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding. De Raad onderschrijft voorts de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 14 oktober 2005, aangevuld in het rapport van 10 november 2005, dat de expertise geen medische onderbouwing biedt voor het standpunt van appellante dat zij op de datum in geding niet dan wel slechts in beperkte mate in staat was haar eigen werk te verrichten.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2007.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) J. Verrips.
DK