ECLI:NL:CRVB:2007:BB2350

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6674 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 75a WAOArt. 26 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Mededeling eigenrisicodragerschap WAO-uitkering is een besluit

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem die een mededeling over de toerekening van een WAO-uitkering aan een eigenrisicodrager niet als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aanmerkte.

Appellant had betrokkene geïnformeerd dat zij als eigenrisicodrager verantwoordelijk is voor de betaling van een WAO-uitkering aan een voormalige werknemer. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de mededeling geen besluit was.

De Centrale Raad van Beroep herroept deze uitspraak en stelt dat de mededeling wel degelijk een besluit is dat strekt tot het opleggen van een betalingsverplichting. Dit betekent dat tegen een dergelijke mededeling bezwaar en beroep kunnen worden ingesteld. De zaak wordt daarom terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart de mededeling over de betalingsverplichting als eigenrisicodrager een besluit en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.

Uitspraak

06/6674 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 oktober 2006, 06/1647 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[Betrokkene]
en
appellant.
Datum uitspraak: 9 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting is met toestemming van partijen achterwege gebleven.
II. OVERWEGINGEN
Bij brief van 7 februari 2005 heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat zij, gezien het feit dat zij per 1 juli 2004 eigen risicodrager is geworden, op grond van artikel 75a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vanaf deze datum zorg dient te dragen voor de betaling van de WAO-uitkering, welke met ingang van 16 januari 2003 is toegekend aan haar (ex)werkneemster M.S. [L.] zolang deze nog geen 5 jaar heeft geduurd. Deze uitkering bedraagt met ingang van 1 juli 2004 € 7,22 bruto per uitkeringsdag. Bij besluit van 4 november 2005 heeft appellant de bezwaren hiertegen ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank -met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht- het door betrokkene tegen het besluit van 4 november 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daarbij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 november 2004 (LJN: AR 5915), overwogen dat de mededeling betreffende de toerekening van de WAO-uitkering van de (ex)werkneemster [L.] aan betrokkene als werkgever in dit geval geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met deze mededeling informeert appellant betrokkene alleen over de direct uit de wet voortvloeiende gevolgen van het eigen risicodragerschap na de toekenning van een WAO-uitkering aan een (ex)werknemer van haar.
De door appellant tegen dit oordeel gerichte grond slaagt. Hiervoor verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 10 oktober 2006, gepubliceerd in RSV 2006/353 en USZ 2006/330. Zoals blijkt uit deze uitspraak is de Raad -anders dan in zijn uitspraak van 11 november 2004- thans van oordeel dat een mededeling, zoals gedaan in de brief van 7 februari 2005, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, strekkende tot opleggen van een betalingsverplichting. Het feit dat de in artikel 75a, vierde lid, eerste volzin van de WAO vervatte betalingsverplichting voortvloeit uit de wet, nadat is vastgesteld dat aan de in artikel 75a, eerste tot en met derde lid, gestelde voorwaarden is voldaan, maakt dit, gegeven de in die leden vervatte beslismomenten, ook al hebben deze in de regel een beperkte strekking, niet anders. Tegen een dergelijk besluit kan dan ook bezwaar en beroep worden ingesteld.
De aangevallen uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.De Raad acht termen aanwezig om het geding met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet ter afdoening terug te wijzen naar de rechtbank.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Haarlem.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.