ECLI:NL:CRVB:2007:BB2352

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-7386 WW-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:15 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wraking van raadsheer Centrale Raad van Beroep

In deze zaak diende een verzoeker een wrakingsverzoek in tegen mr. M.A. Hoogeveen, voorzitter van de behandelende kamer van de Centrale Raad van Beroep, in een geschil met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Het verzoek betrof ernstige beschuldigingen aan het adres van de raadsheer, waaronder lidmaatschap van een criminele organisatie en betrokkenheid bij misdaden.

De Raad heeft het verzoek behandeld op 8 augustus 2007, waarbij de verzoeker en de gewraakte raadsheer niet aanwezig waren. De Raad concludeerde dat de aangevoerde grieven algemeen van aard waren en geen concrete feiten of omstandigheden bevatten die de onpartijdigheid van de raadsheer in gevaar brengen.

De voorzitter van de Raad besloot daarom het wrakingsverzoek af te wijzen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk. Hiermee bevestigt de Raad het vertrouwen in de onpartijdigheid van haar rechters en de integriteit van het bestuursrechtelijk proces.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de raadsheer is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor onpartijdigheidsschending.

Uitspraak

06/7386 WW-W
Centrale Raad van Beroep
Uitspraak
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak op 8 augustus 2007 van de
Centrale Raad van Beroep
meervoudige kamer
Zitting hebben:
mr. T. Hoogenboom, als voorzitter
mrs. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden,
in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier.
Reg.nr. 06/7386 WW-W
De Raad heeft kennisgenomen van het verzoek op grond van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van H. [B.], wonende te [woonplaats], tot wraking van mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter van de behandelende kamer inzake het geding tussen H. [B.] en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geregistreerd onder nr. 06/7386 WW.
Het verzoek is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 8 augustus 2007, waar verzoeker niet is verschenen en de gewraakte raadsheer, met bericht, eveneens niet is verschenen.
De Raad:
De beslissing luidt: Wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waardoor tot de conclusie kan worden gekomen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de gewraakte raadsheer schade zou kunnen lijden.
Het verzoek tot wraking bevat in zeer algemene bewoordingen grieven tegen de wijze waarop verzoeker door uitkeringsinstanties is behandeld en tegen de wijze waarop zijn zaak in eerste aanleg is behandeld. Ten aanzien van de gewraakte raadsheer bevat het verzoek de passage: “Omdat de rechter lid is van een criminele organisatie en de rechter betrokken is bij tegen mij gepleegde misdaden, waaronder een moordaanslag, is de rechter ongeschikt voor de zaak. De rechter is lui, onbekwaam en onbetrouwbaar en gericht op eigenbelang.” Noch hetgeen in het algemeen is aangevoerd noch hetgeen in het bijzonder ten aanzien van de desbetreffende raadsheer naar voren is gebracht bevat enige aanwijzing voor de aanwezigheid van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De voorzitter sluit de zitting.
Waarvan proces-verbaal.
Utrecht, 8 augustus 2007.
De griffier. De voorzitter.
(get.) M.R.S. Bacon. (get.) T. Hoogenboom.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
RH