ECLI:NL:CRVB:2007:BB2354

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3720 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ontbreken geschil in socialezekerheidszaak

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Breda inzake een socialezekerheidszaak. Tijdens de procedure heeft het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarna appellante instemde met deze beslissing en het geschil daarmee kwam te vervallen.

De Raad heeft vastgesteld dat er geen belang meer is bij een oordeel over de aangevallen uitspraak en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

De uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen en uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2007. Het griffierecht wordt door het UWV aan appellante terugbetaald.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen geschil meer bestaat, en het UWV is veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitspraak

06/3720 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 mei 2006, 05/4731 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 augustus 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H. Valk, werkzaam bij FNV bondgenoten te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2007, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Valk, voornoemd, en waar het Uwv -daartoe vanwege de Raad opgeroepen- zich heeft laten vertegenwoordigen door J. Aarts, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Nadien is het onderzoek heropend.
Bij brief van 15 mei 2007 heeft het Uwv de Raad een afschrift van een nadere beslissing op bezwaar van die datum doen toekomen.
Bij schrijven van 5 juni 2007 heeft mr. Valk de Raad meegedeeld dat wordt ingestemd met de beslissing op bezwaar van 15 mei 2007 en dat verzocht wordt het Uwv te veroordelen in de proceskosten van het beroep en hoger beroep terzake van verleende rechtsbijstand.
Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend een nadere zitting achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
Met de beslissing op bezwaar van 15 mei 2007 heeft het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellante beslist. Gelet op de brief van appellante van 5 juni 2007 bestaat er tussen partijen geen geschil meer. Derhalve heeft appellante geen belang meer bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, welke kosten worden begroot op € 644,-- in eerste aanleg en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van € 142,-- (€ 37,-- + € 105,--).
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
BvW