ECLI:NL:CRVB:2007:BB2365

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/884 AKW + 05/3514 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbAlgemene Kinderbijslagwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep kinderbijslagbesluit en vernietiging tweede besluit

Appellant voerde hoger beroep tegen twee besluiten van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) inzake de weigering van kinderbijslag voor zijn in Egypte verblijvende kinderen. Het eerste besluit handhaafde de weigering wegens vermeend ontbreken van verzekering volgens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

In het tweede besluit werd appellant wel als verzekerd aangemerkt en werd het bezwaar gegrond verklaard voor kinderbijslag over een deel van de periode, maar afgewezen voor een andere periode vanwege onvoldoende bewijs van onderhoud. De Raad betrok dit tweede besluit in de procedure.

Tijdens de procedure gaf de Svb aan dat het onredelijk was het beleid over onderhoudsbijdragen toe te passen en betaalde alsnog kinderbijslag over de resterende periode. De Raad verklaarde het hoger beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en vernietigde het tweede besluit, waarbij de Svb werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het tweede besluit is vernietigd met opdracht tot nieuwe beslissing.

Uitspraak

05/884 AKW
05/3514 AKW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 december 2004, 04/2614 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 2 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Khan, advocaat te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft bij brief van 4 mei 2005 een nieuwe beslissing op bezwaar in het geding gebracht. Mr. Khan heeft bij brief van 13 juni 2005 een reactie daarop aan de Raad gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2007. Namens appellant is daarbij verschenen drs. J.E. Groenenberg, juridisch medewerker van mr. Khan voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.
Ter zitting heeft de Raad het onderzoek geschorst ten einde de Svb de gelegenheid te geven de aanspraak op kinderbijslag van appellant over enkele kwartalen nader te bezien. Bij brief van 20 juli 2007 heeft de Svb een nader standpunt kenbaar gemaakt. Mr. Khan heeft daarop gereageerd bij brief van 23 juli 2007.
Het geschil is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 juli 2007, waar partijen met kennisgeving niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij beslissing op bezwaar van 21 mei 2004 (hierna: besluit 1) heeft de Svb zijn besluit van 7 februari 2002 gehandhaafd, waarbij is geweigerd kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aan appellant toe te kennen voor zijn in Egypte verblijvende drie kinderen, omdat appellant niet verzekerd zou zijn geweest ingevolge de AKW. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.
Bij nadere beslissing op bezwaar van 4 mei 2005 (hierna: besluit 2) heeft de Svb appellant wel aangemerkt als verzekerd ingevolge de AKW. Voorts is het bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft het recht op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2000 tot en met het tweede kwartaal van 2001. Ten aanzien van het derde kwartaal van 2001 tot en met het eerste kwartaal van 2002 is het bezwaar ongegrond verklaard, omdat appellant niet heeft aangetoond zijn kinderen toen in belangrijke mate te hebben onderhouden. De Raad heeft besluit 2 met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken in deze procedure.
Bij brief van 20 juli 2007 heeft de Svb medegedeeld de weigering van kinderbijslag over het derde kwartaal van 2001 tot en met het eerste kwartaal van 2002 niet langer te handhaven.
De Raad overweegt het volgende.
Besluit 1.
De Raad stelt vast dat de Svb besluit 1 niet langer handhaaft, nu uit besluit 2 voortvloeit dat de Svb de weigering van kinderbijslag daarbij heeft beperkt tot drie kwartalen en heeft gebaseerd op een geheel andere grondslag. Dit betekent eveneens dat appellant geen belang meer heeft bij het hoger beroep betrekking hebbend op besluit 1, aangezien de grieven inzake de weigering van kinderbijslag bij de toetsing van besluit 2, waar nodig, aan de orde kunnen komen. Het hoger beroep van appellant wordt derhalve
niet-ontvankelijk geacht, nu niet is gebleken van enig belang van appellant bij een inhoudelijk oordeel van de Raad over besluit 1.
Besluit 2.
Bij brief van 20 juli 2007 heeft de Svb medegedeeld nader van oordeel te zijn dat het in de omstandigheden van dit geval onredelijk is het beleid ten aanzien van de onderhoudsbijdragen toe te passen en dat over de nog in geschil zijnde drie kwartalen alsnog kinderbijslag aan appellant betaald zal worden. Dit betekent dat besluit 2 niet in stand kan blijven. De Svb dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in eerste aanleg en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan appellant.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep betrekking hebbend op besluit 1 niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen besluit 2 gegrond en vernietigt besluit 2;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1288,-- te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan appellant;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde griffierecht ad
€ 139,-- dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2007.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
EK